Een boom kun je op een simpele manier verdelen in drie stukken, namelijk de wortels, de stam en de kroon. Hiervan bevinden zich de wortels volledig onder de grond en de stam en de kroon bovengronds.
De wortels vervullen diverse functies voor de boom en misschien wel de meest belangrijke in het hele totaal. De belangrijkste functies van de wortels zijn:
- Opname/transport van vocht voor de bladeren.
- Verankering in de bodem zorgt voor stabiliteit.
- Opslag van reserves en diverse andere stoffen.
- Aanmaak van groeihormonen.
De wortels gaan over in de stam. Deze verbindt de wortels met de kroon. De stam draagt ook het hele gewicht van de kroon en bepaalt vaak de hoogte van een boom. De belangrijkste functies van de stam zijn:
- Transport van vocht naar de bladeren door het spinthout.
- Transport van suikers/voedingsstoffen naar de wortels door de bastlaag.
- Zorgt voor voldoende draagkracht van de kroon d.m.v. houtaanmaak rondom.
- Opslag van reserves.
Op bepaalde hoogte zal een stam zich gaan vertakken en breed uitgroeien met dunnere takken; dit gedeelte noemen we de kroon van de boom. Deze takken gaan zich steeds dunner vertakken en op de allerdunste twijgen zal zich het blad bevinden. De functie van de takken is om het blad zoveel en zo goed mogelijk in het licht te krijgen. Zodat het blad middels fotosynthese suikers kan aanmaken.
|